Laatste update vrijdag, 12 december 2025
maandag, 1 december 2025 Actueel
Op woensdag 19 november is Ale de Vries, oud postbode van Marsum, overleden. Ter nagedachtenis plaatsen we hieronder een verkorte versie van de overdenking tijdens zijn afscheid in Nij Andringastate.
Ale werd geboren in 1939 in Jellum uit gezin met 4 kinderen, waarvan Ale de 2e jongen was. Hij volgde de lagere school in Jellum/Beers. Hij kon goed leren en volgde de MULO in Leeuwarden.
Ale leerde op de ijsbaan tussen Marsum en Ritsumasyl Ytje Jongsma kennen. In 1964 traden ze in het huwelijk. Iets sneller dan gepland, door de naderende komst van hun eerste kind Albert. In die tijd was het moeilijk om woonruimte te krijgen. Maar Ale en Ytje hadden geluk. In 1964 konden ze in de woning van Beppe Ytje Ferwerda aan de Binnenbuorren (aan het schoolpad) komen. Het mooie was dat de jonge Ytje terugkwam in de woning waar ze geboren was in 1944.
Ale werkte in de beginjaren 60 bij het spoor in Utrecht, achter het loket. Toen er een functie vrijkwam in 1965 als postbode op het Marsumer postkantoor van Klaas Swart, zag Ale zijn kans. Hij solliciteerde en hij werd aangenomen. Hij bezorgde toen de post in Marsum en omstreken. Het was misschien wel niet zijn droombaan, maar zo kon hij mooi in Marsum wonen en werken. Daarmee deed hij Ytje een groot plezier, want die wilde absoluut niet uit Marsum verhuizen.
Ze kregen drie jongens. Albert, Tymen en Rinse. Onderwijl werd er druk verbouwd en in 1970 kochten Ale en Ytje de woning naast hun van Meindert en Janke Landstra, de voormalige postbode in Marsum. Beide woningen werden verbouwd tot 1 grote woning. De privaattonnen werden vervangen door een doorspoeltoilet, het aardgas werd aangesloten en er kwam een douche. Een hele verbetering.
In 1975 kochten Ale en Ytje de grond achter hun woning. De grote tuin werd door Ale onderhanden genomen. Nu zouden we machines het werk laten doen, maar toen ging dat anders. Het geld was er ook niet voor. Ale deed alles met de hand. Dag in dag uit was hij bezig om van een stuk ruwe grond een mooie tuin te maken. Monnikenwerk. Het was Ale niet vreemd. Ook in zijn latere leven niet. Hij hoefde nooit zijn nagels te knippen, want die sleten vanzelf wel af door het graven in de grond. Zijn leven lang, tot het laatst toe. Ale was een echte werker, niet alleen voor hemzelf, maar ook voor vele dorpsgenoten en vrienden.
Ondertussen had Ale het naar zijn zin bij de post. S Morgensvroeg beginnen, hij kon hard fietsen en had zijn route vaak sneller klaar dan de planning. De hele middag vrij. Kon hij mooi boer Kees Hellinga helpen met het hooien of een andere Marsumer bijstaan. Maar de postbezorging ging niet altijd van een leien dakje. Ale had een grote postfiets, daar paste bijna alles op, maar als hij een blijde doos na de geboorte aan iemand moest rondbrengen, was het minder. Die was te groot. Het lukte niet om die in de fietstas te krijgen. Totdat, Ale zo gremietig werd dat hij al vloekend de doos een rot schop gaf. Maar eind goed, al goed. De doos inmiddels in de boom naast huis beland, had een deuk opgelopen en paste nu precies achter het zadel en Ale zijn humeur was weer goed. Dat duurde overigens niet heel lang, want bij de post sloeg de reorganisatie toe. Ale moest eerst naar Leeuwarden om te sorteren en kreeg vandaar uit ook grotere wijken te lopen. Daar was hij niet te beroerd voor, maar wat hem niet zinde was dat er steeds meer bazen kwamen die steeds meer stuurden op hoe het werk moest gebeuren. Dat hoefde je Ale niet te vertellen, dat wist hij zelf wel. Ale loste dat op zijn manier op. Hij begon voor dag en dauw met werken, was als eerste op het werk en was dan al weg op route voordat de bazen kwamen. Zo kon hij het conflict mooi uit de weg gaan.
Dit lukte hem niet altijd. De kinderen vertelden mij dat hij door de postbezorging een peesbeschadiging opliep. Hij kon niet meer werken, de behandelaar adviseerde rust. Dat bracht verbetering. Terugkomst op zijn werk lag in het verschiet. Maar toen kwam zijn baas thuis langs. Hij zag hoe netjes de grote tuin erbij lag en trok zijn conclusies. Ale moest direct aan het werk. Zijn baas wilde niet geloven dat zijn zonen de tuin in die tijd onderhielden. Na twee weken werk was Ale zijn pees weer terug bij af. Hij moest toen een half jaar rust nemen. Iets waar de behandelaar al voor gewaarschuwd had. De baas liet nimmer weer wat zich horen. Dit soort ervaringen kon Ale moeilijk tegen. Als het anders ging dan wat hij wilde, kon het hem mateloos frustreren. Hij was dan ook wel “koart foar de kop”. Ook wel in zijn vrije tijd. In discussies kon hij heel uitgesproken en fel zijn. Hij had zijn standpunten en week daar niet vanaf. Op jonge leeftijd was hij al aanhanger van Piter Jelles, een foto van hem, hing lange tijd in de keuken. Opkomen voor de arbeiders en de minder bedeelden lag hem na aan het hart. Lid zijn van de PvdA en de FNV was voor hem vroeger een vanzelfsprekendheid. De vrijdag voor zijn overlijden kreeg hij nog een speldje van 60 jarig lidmaatschap van de FNV uitgereikt.
Als Ale wat in de kop had kreeg je het er niet uit. Niet lang geleden waren ze op familiebezoek in Winsum. Ale op de fiets. Na afloop regende het pijpenstelen. “Sille we heit mar efkes thusbringe? We ha wol in fietsendrager op de auto”. Maar nee, hij had zich voorgenomen terug ook te fietsen en dan deed hij dat ook. Ze konden praten als Brugman, maar het zware regenpak kwam aan en weg fietste hij.
Ale was ook zuinig. In zijn jeugd had hij geleerd om met weinig tevreden te zijn en creatief met de middelen om te gaan. Als er een voetbal moest komen kon een blaas van een varken net zo goed. Die instelling droeg hij in zijn verdere leven met zich mee. Hij kocht weinig kleding, maar zorgde er wel voor om er netjes uit te zien tijdens feestjes. Oude materialen werden hergebruikt. De gang achter zijn huis is gemetseld van de stenen van het oude café Tramzicht van Marten en Frieda de Vries aan de Bitgumerdyk. Een oud ruit bij Kolff over, Ale wist er wel raad mee. De schuttingsdeur naast zijn huis heeft hij ook op de kop getikt. Op Vlieland vond hij op het strand eens een grote kluwen nylontouw. Hij nam het mee en was een winterlang bezig om het te ontvlechten. Het kon nog eens van pas komen. Ale had de circulaire economie al uitgevonden voordat het woord bedacht werd.
Ale kon gelukkig ook genieten. Vooral als hij op Vlieland was. De ouders van Ytje hadden daar een tenthuisje bovenop een duin, een prachtige plek. Elke zomer gingen ze daar drie weken heen. Ze leerden daar velen kennen. Het werd een echte gemeenschap, een 2e Binnenbuorren. Ale kreeg daar contact met zijn latere vriend Kok. Samen met hem dagen de natuur in, op zoek naar bloemen, met de loep in het gras liggen, als je niet beter wist dan zou je denken dat ze een relatie hadden, zei Ytje wel eens gekscherend. Vlieland had Ale zijn 2e huis kunnen zijn. Hij kon daar werk krijgen, maar Marsum trok te hard aan Ytje. Later kochten Ale en Ytje zelf een tenthuisje. Ze verhuurden het ook wel, maar gewoon voor de kostprijs. Wat het jaarlijks kostte, mocht het opbrengen, maar niet meer dan dat. Jaar in, jaar uit, werd tijdens Marsumer kermis het tenthuisje opgeborgen. Hij hoefde dan niet zo nodig in Marsum te zijn. In de beginjaren 70 kreeg hij een jeugdsoos naast de deur. Dat bracht de nodige overlast met zich mee. Ale stond daar dubbel in. Hij ging wel mee als ouderbegeleiding als de jeugd een weekend weg ging, maar toen jongeren op het plat dak naast zijn huis zaten, was de maat vol. Die negatieve herinnering bleef in zijn hoofd. Over luide muziek hoorde je hem niet klagen. Logisch want hij hield daar zelf ook van. Al snel had hij een mooie installatie en die kon ook wel hard, ook als hij zomerdag de ramen open had. Tot het laatst toe genoot hij daarvan. Als je binnen bij hem in de keuken stapte moest eerst de muziek zacht voordat je een woord kon wisselen.
Een andere grote liefde die ook het sociale hart van Ale en Ytje lieten zien waren Latifa en Hayette. Twee meisjes die van jongs af aan geregeld bij Ale en Ytje in hun gezin woonden. Ale en Ytje wilden wat betekenen voor anderen, speciaal voor mensen die het moeilijk hadden. Eerst kwam een Duitse jongen 3 keer 6 weken over, maar de klik met de andere kinderen ontbrak. Via de Belgische organisatie de Vreugdezaaiers kwamen ze in contact met het project van nonnen die kinderen uit de Parijse sloppenwijken liet aansterken bij gastgezinnen. U kent het wel: “Frisse lucht, structuur, regelmaat en goede voeding” waren de toverwoorden uit die tijd. Ale en Ytje voegden daar de woorden: “liefde en aandacht” aan toe. Vanaf 1974 kwamen de meisjes Latifa en Hayette “drie maand op, drie maand af” bij het gezin de Vries. Dat betekende natuurlijk ook wat voor Albert, Tymen en Rinse. Maar dat voelde prima, het voelde als zusjes. Het gezin de Vries zag uit naar hun komst. Ale en Ytje vonden het fijn dat ze naast drie zonen ook twee dochters erbij gekregen hadden. Ale kon goed “Nee” zeggen tegen zijn zonen, maar als de dochters iets vroegen en vooral op zo’n lieve meisjesachtige toon, dan ging hij steevast voor de bijl . Zijn nee verbleekte dan en werd uiteindelijk een ja. Zijn oogappels kregen het voor elkaar.
Ze hebben hun hele leven lang een goede band gehouden. Toen de meisjes vrouwen werden en “uitvlogen” zochten Ale en Ytje en ook de kinderen hun meerdere keren op. Tekenend is ook dat ze beiden aanwezig waren bij de uitvaart. Latifa is zelfs overgekomen uit Ierland. Ze stonden ook op de overlijdenskaart. Ze hoorden er helemaal bij.
Ale en Ytje hun liefde voor kinderen ging verder. Ze waren voor verscheidene Marsumer gezinnen ook een soort pleegouders. Kinderopvang bestond toen nog niet. Maar bij hun rthuis vingen ze heel wat kinderen op. Ale deed heel wat spelletjes met hen.
Ale zat bijna nooit stil. Hij was niet lui, altijd bezig. In de tuin, groente verbouwen op de Tolve en later ook achter huis. En hij hielp Marsumers graag. Hij was niet veel thuis.
Toen Boele en Els in Marsum kwamen te wonen hielp hij met de verbouwing, na de brand hielp hij weer. Bij Lammert en Sjoukje op de Bitgumerdyk hielp hij ook met de verbouwing. Bij Geert en Ankie ook en bij Jancko en Mindou zelfs in 2 huizen.
Vriendschappen ontstonden zo voor het leven. Ook met Yde en Lieneke. Ale hielp ook daar, maar ook gingen beide gezinnen gezamenlijk naar Vlieland. Het waren mooie tijden, zo hoorde ik van Yde en Lieneke. Ale hearde by jim leven, sa seinen jim. Ale reed geregeld mee met Yde op de vrachtwagen. Een van de reizen ging via Frankrijk, naar Zuid Italie en dan naar noord Zweden. Wat een kilometers. Een reis van twee weken waar Ale volop van genoot. Ze verloren al rijdende de combinatie op de snelweg. Wonderwel geen slachtoffers.
Ook hielp Ale Jan Posseth met het bijvullen van de SRV wagen. Piet Scheenstra hielp daar ook. Sindsdien een fijne vriendschap. Later hielp Ale Piet in zijn muziekbedrijf. Eerst in Leeuwarden en later in Zutphen. Muziekinstallaties tillen en podia opbouwen. Een keer verbrijzelde hij zijn enkel. In Rotterdam werd hij geopereerd. Perfect gedaan, hij is volledig hersteld en kon zijn werk als postbode blijven doen.
Piet wilde graag eens wat terug doen. Hij nam Ale mee op vakantie naar Griekenland. Ze hadden om 8 uur afgesproken in Zutphen. Piet kwam op tijd aan, maar geen Ale. Hij bellen, maar geen gehoor. Pas om 11.30 kreeg hij Ale telefonisch te pakken. Ale dacht dat hij er om 7 uur moest zijn, trof geen Piet, had nog een tijd staan wachten en is toen maar teruggereden. Piet vroeg hem nog om zijn mobiele telefoon bij zich te houden. Dat deed Ale ook wel, maar de mobiele was in de wasmachine terechtgekomen. Hij kwam er mooi schoon uit, maar deed het niet meer. Ale en telefoons waren geen gelukkige combi. De reis naar Griekenland is, zij het wat verlaat, alsnog doorgegaan.
In Marsum zat hij een tijdje in het bestuur van Dorpsbelang en de werkgroep Kommenplan. Hij was betrokken bij de oprichting van jeugdclub Oars, hij hielp mee met de schoolkrant en vertegenwoordigde Marsum mee in een quiz van het toenmalige stedenspel. Ale deed dat goed, hij had veel parate kennis. Hij was niet een ras-bestuurder die voorop liep, maar hielp graag mee. Hij was drager en klokluider bij begrafenissen. Hij was niet kerkelijk, maar voor de Marsumer kerk was dat nooit een probleem. Ze waren blij met zijn hulp. Na de kerkfusie met andere dorpen hoefde hij niet meer te helpen. Ze hadden nu genoeg kerkelijken die het wel konden doen. En zo voelde Ale zich raar aan de kant gezet. Toen was het voor Ale ook klaar. Dan is hij resoluut en dat verander je ook niet meer.
Ook fietste hij veel. Vroeger op de racefiets met Jan Posseth en Johan Zoer. Later met Els, na het overlijden van Ytje. Nu 14 jaar geleden. Een grote klap in zijn leven. De leegte daarna bleef hij altijd voelen. Het leven had niet meer de kleur als daarvoor. “Neat mear oan sûnder Ytje”, sei er tsjin freonen. Tekenend voor Ale zijn persoonlijkheid is hoe hij Ytje tot het laatst toe bijna alleen verzorgd heeft. Hoe zwaar het ook was. Haar wens was thuis sterven, dat is gelukt.
Na het overlijden van Ytje bleef buiten alles doorgaan, maar binnen stond het stil. Het huis werd geschilderd en de tuin werd keurig bijgehouden. Maar binnen bleef het exact zoals Ytje het achtergelaten heeft. De pop op de bank zit nog precies op dezelfde plek.
Ale wie sa sterk as in dyk. Tot op het laatst deed hij de tuin nog zelf, hij deed zelfs de tuin bij anderen. Hij hielp Albert Scheenstra, hij hielp Sjoukje Jorritsma en hij was jarenlang steun en toeverlaat voor de familie Kolff. Eerst de grote tuin van het doktershuis doen, maar later deden ze ook een beroep op hem als iemand van hen gevallen was en niet meer overeind kon komen. Of als de oude cv kachel uitgevallen was. Hij stond altijd paraat. Als iemand de dakgoot vol had en hem vroeg de ladder vast te houden wilde hij wel helpen, maar hij was het die de ladder op ging. Hij wilde het werk zelf doen. Tot het laatst toe.
Maar toch, … de laatste jaren zag je hem ouder worden en lichamelijk achteruit gaan. Zijn gezondheid nam af. In 2007 was hij al gedotterd, hij viel af, hij kreeg diabetes, hartoperatie was nodig, maar liefst 6 omleidingen en een nieuwe klep, het was kantje boord met een delier erachteraan. Hij kreeg allergische reactie op antibiotica, etc. Opname in ziekenhuis of vp huis deed hem goed. Hij was dan onder de mensen en was dan op zijn best. Hoe het thuis precies ging vertelde hij ook niet aan de kinderen. Hij wilde een ander niet tot last zijn. De laatste jaren ging hij geregeld voor allerhande controles naar het ziekenhuis. Als hij een afspraak vergat baalde hij als een stekker. Maar ja, hij wilde geen telefoon en geen agenda. Eigenwijze man. En alles zelf willen doen. Als hij voor een oogbehandeling naar MCL moest zag hij op de terugweg niks, hij liep zelfs wel een keer terug naar huis met de fiets aan de hand. Toen Henk dat in de gaten kreeg, vanaf toen stond de werkbus gelukkig klaar.
Hij had thuis lichamelijke zorg nodig. Hij was blij als de thuiszorg hem hielp en hij had altijd de koffie klaar als ze kwamen. Maar de zorg voor de huishouding wees hij categorisch af. Hij had gezien hoeveel wisselende personeelsleden bij frou Kolff kwamen, wel 40 had hij geteld, dat wilde hij niet. Dan maar niemand. “Ik doch it sels wol.”
Gelukkig woont hij in een sociale straat. Zijn buren zagen dat het minder ging en dat het eten koken ook niet te wensen over hield. Hij wilde geen hulp aanvaarden, maar was blij als een van de buren hem een warme maaltijd bracht, de ramen lapte, zijn haar knipte of langs kwam voor een praatje. Als je vroeg hoe het met hem ging, antwoordde hij steevast: “Nee hear, ik bin noch net dea” of “It libbet noch”. Eén brok warmte. Klasse, zo wil je dat op een dorp.
Overigens had hij niet alleen met zijn buren contact, want als hij in de voortuin aan het werk was, maakte hij gemakkelijk een praatje met voorbijgangers. En hij maakte ook contact als iemand bijna tegen zijn hegje aanreed… Ze kenden Ale allemaal.
Els was twee weken voor zijn overlijden nog met hem weggeweest te fietsen. Even naar Berltsum, hij mocht dan graag even de Markthal aandoen, daarna door naar Menaam. Ale fietste midden op de weg. “Ale aan de kant fietsen” riep Els. “Nee hear, it is hjir 30 km sône, se moatte op my lette.”
Door naar de slager in Menaam. Daar kocht Ale gehakt. De helft at hij rauw op. Dat kon, want het was van een biologische slager, vond Ale. Het typeert Ale de fuotten út.
En toen het moment. Woensdagmorgen de 19e november. Als Els haar gordijnen opent kijkt ze standaard naar Ale zijn huis. De gordijnen zijn nog dicht. Vreemd. Even later poolshoogte nemen. Navraag doen bij vrienden en buren. Een vreemd gevoel maakt zich meester van Els. Dit klopt niet. Ze vraagt Henk om mee te gaan. Henk breekt in en samen met Els vindt hij Ale.
Dochs noch ûnferwachts is ferstoarn ús Ale. Dit kaam ús allen oer it mad.
Een grote schok, maar tegelijkertijd ook berusting. Dit is zoals Ale het gewild had. Als hij dit van bovenaf kan zien, zou hij staan te juichen. Gestorven zonder lijden, gestorven zoals hij wilde. “Se moatte my dea fine, krekt sa as by myn heit dy’t dea foar de tv siet”, sa fertelde hy it oan syn bern.
Lit dit een treast wêze foar jim as bern. Jim heit is altiten te jong om te ferliezen, mar at it moat, lit it dan sa wêze.
Hij zei ook: “Ik ha in ryk en gelokkich leven hân.” Hy hat it leven echt leeft. In hiel soad hat er dien.
It sil frjemd wêze. Ale net mear yn de Binnenbuorren, Syn stim net mear hearre. Eltse kear ast foar syn hûs lâns rinst wolst noch de hân omheech dwaan. It hoecht no net mear.
Ale, dochs noch ien kear de hân omheech. Bedankt watst foar ús dien hast, bedankt watst foar ús betsjutten hast.
Rêst sêft!
Verhaal en foto van Geert Verf
07-12-2025 Prikbord
03-12-2025 Prikbord
10-12-2025 Dorpsbelang
11-04-2025 Actueel, Dorpsbelang
29-10-2025 Kerknieuws